Hondsdolheid (Rabiës)

 

Hondsdolheid of rabiës wordt veroorzaakt door een virus dat bij dieren kan voorkomen en ook op de mens kan worden overgedragen. Het virus gaat uiteindelijk naar het zenuwstelsel en wordt dan dodelijk. Hondsdolheid komt in de meeste West-Europese landen niet meer voor. Toch zijn er soms incidentele besmettingen vanuit andere landen mogelijk. 
Een verwant virus komt voor bij sommige soorten vleermuizen en komt ook regelmatig in Nederland voor. Van dit virus zijn echter maar weinig gevallen bekend waarbij de mens na bijvoorbeeld een beet, ziek is geworden. Waarschijnlijk is dit virus dus minder agressief voor mensen. Het blijft niettemin aangeraden om geen vleermuizen aan te raken.

Mens en dier kunnen besmet raken doordat een besmet dier het virus uitscheidt via het speeksel. U of uw dier kan met het virus in aanraking komen door een beet, maar ook doordat een besmet dier krabt of likt. Het virus dringt het lichaam binnen door wondjes in de huid of via de slijmvliezen van de ogen of de mond. Het virus gaat naar het zenuwstelsel en als het virus eenmaal in het zenuwstelsel terechtkomt, zal de ziekte zich verder ontwikkelen. De ziekte is dan dodelijk en niet meer te behandelen. Het duurt gemiddeld een aantal weken voordat het virus het zenuwstelsel bereikt, maar bij een beet in het gezicht kan het ziekteverloop zich sneller ontwikkelen en soms al na 5 dagen.

Een mens die besmet is geraakt krijgt eerst griepachtige verschijnselen en na verloop van tijd ontwikkelen zich de karakterveranderingen, zoals angst voor water, woedeaanvallen en schuim op de mond. Soms zijn deze verschijnselen minder duidelijk en is er alleen sprake van verlammingen.
Bij dieren die besmet zijn, is een gedragsverandering een van de eerste symptomen. Honden en katten vertonen vooral agressief gedrag. Landbouwhuisdieren zonderen zich meer af van de kudde. Naast het agressieve gedrag kan een dier bijvoorbeeld ook kwijlen, verlamd raken en uiteindelijk sterven.

Denkt u besmet te zijn met rabiës, neem dan altijd contact op met uw huisarts of de GGD. Na een mogelijke besmetting moet namelijk meteen gestart worden met de behandeling. Wordt gewacht met de behandeling tot na het optreden van de symptomen, dan is deze dodelijke ziekte niet meer te genezen.
De eerste behandeling bestaat uit het schoonmaken en ontsmetten van de wond. Daarna volgt bij een reële verdenking op rabiës een reeks vaccinaties. In sommige gevallen worden er antistoffen toegediend. Daarnaast wordt er soms antibiotica en een tetanusvaccinatie gegeven.

Als u uw huisdier verdenkt van rabiës, dient u zo snel mogelijk ons of de NVWA te waarschuwen. Er zal een onderzoek ingesteld worden naar de mogelijke besmetting en er zullen eventueel maatregelen genomen worden om een verspreiding van het virus te voorkomen. De diereigenaar is wettelijk verplicht om hieraan mee te werken. Afhankelijk van de omstandigheden kan het dier in quarantaine worden geplaatst of geëuthanaseerd worden voor onderzoek op rabiës.
Voor besmette dieren bestaan er geen medicijnen. Ook bestaat er geen test om bij een levend dier vast te stellen of het rabiës heeft. Het virus kan alleen worden vastgesteld door onderzoek van de hersenen in een speciaal daarvoor ingericht laboratorium en daarvoor moet het dier worden geëuthanaseerd. Voor deze ziekte geldt een verplichte meldingsplicht, waarna de NVWA en de GGD een contactonderzoek gaat uitvoeren. De NVWA gaan na met welke dieren het besmette dier in contact is geweest, de GGD gaat na welke contacten er zijn geweest tussen het besmette dier en mensen.


Het rabiësvirus kan ook meekomen met huisdieren die doorreizigers worden meegenomen uit hun vakantieland. Daarom wordt het afgeraden om (zwerf)dieren mee naar huis te nemen. Vooral in gebieden waar rabiës voorkomt in een deel van de dierenpopulatie, zoals in Noord-Afrika en sommige delen van Oost-Europa, bestaat een groot risico op het importeren van rabiës.